Het Istanbul uit ‘Europa’

Uit het boek Europa van Geert Mak

Foto’s Alcuin Olthof | bezoek Istanbul augustus 2002

 

Vanaf de oudste tijden was Constantinopel het scharnier tussen Oost en West, het laatste bolwerk van het Romeinse imperium, de rijkste metropool tussen Londen en Peking, het eindpunt van de Chinese zijderoute, het vooruitgeschoven lichtbaken van Europa. En nu?

Vanaf de Zwarte Zee zijn als eerste de groene heuvels van Kilyos zichtbaar, met daarachter de elegante huizen entuinen waar ooit Irfan Orga de laatste lichte zomer van zijn jeugd beleefde, en daartussen de modernevoorsteden van Istanbul, over de heuvels geplooid als witte dotten poetskatoen. We varen de Bosporus op. Links en rechts glijden villa’s voorbij, de een nog uitbundiger dan de ander, met hout gesneden balkons, stoepen en terrassen die uitzien op het water, bloeiende tuinen, bomen, een dorpsplein, een minaret, een werfje, een paar cafés, een strand.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is zeven uur ’s ochtends, maar het is al heet. We passeren een minuscuul vissersbootje, de netten hangenhalf in het water, de bruinverweerde vissers lachen en zwaaien naar de meisjes op de Passat. De grote brug tussen Europa en Azië ligt in de verte, een ijle draad waarlangs gestaag honderden torren en kevers heen enweer kruipen. Ik moet denken aan de Turkse schrijver Orhan Pamuk, en wat er volgens hem allemaal in de diepte van dit water moet liggen: met mosselen overwoekerde Byzantijnse schatten, duizenden jaren oude wijnvaten, colaflesjes, wrakken van galeien met spitse voorstevens, een gescheurde Roemeense tanker, geraamtes van paleisintriganten die dubbelgevouwen in zakken zitten, precies zoals ze verdronken waren, een Britse onderzeeër, de botten van kruisvaarders in volle wapenrusting, het verroeste anker van een pantserkruiser van Kaiser Wilhelm, de Cadillac die een vertwijfelde gangster ooit het water in reed.

We naderen het hart van de stad. Ik schreef het al eerder: hier is het onmiskenbaar 1956. De tientallenveerboten, vol vaders met aktetassen en moeders met boodschappen, de Ketelbinkie­ vrachtschepen uitSebastopol, Odessa en Piraeus, de helrode slepertjes, de olierook, het glinsterende water: alles ademt degeest van werk en handel, helder, zonder franje.

Het is een van de mooiste plekken op aarde, maar de Kosovo­ oorlog heeft de toeristenstroom dun gemaakt. Wij, een groepje westerlingen, worden bij de douane met gejuich begroet. We krijgen schouderklopjes, erworden glazen sinaasappelsap rond­ gedeeld. In mijn hotel blijft de grote ontbijtzaal ongebruikt, een flinkezijkamer is voldoende voor de paar gasten die er nog logeren. In de stad vechten de restaurants om onzeklandizie.

De kranten schrijven druk over een gematigde moslimleider die zijn volgelingen heeft opgeroepen tot een soort geweldloze ‘mars door de instituties’. Direct wordt hij vervolgd wegens ‘het opstoken tot religieuze onrust’.Hier worden de culturele grenzen niet afgetast, zoals in Odessa, hier wordt de westerse seculariseringverdedigd met de felheid van een geloof.

Het Europese deel van de stad oogt als het oude Barcelona, behalve dat er zo nu en dan een gebedsroep schalt.De markten zijn vol geuren en kreten, de uitstalkasten druipen van melk en honing, puilen uit van kruiden, kippen en vissen, van kersen als pruimen, van pruimen als appels, van groenten in duizend soorten.

 

 

 

 

 

 

 

 

In de Istiklal Caddesi laten de straatjongetjes zich meeslepen aan de bumper van de oude tram, hun voeten glijden over de rails. Midden op de dag roepen overal luidsprekers op tot gebed. Dit is moslimland, ja. Maar de barokke winkelgalerij waarin ik zit te eten, had evenzogoed in Brussel kunnen staan, of in Milaan. Istanbul is, net als Odessa, een mengstad, een stad dit met al die verschillende identiteiten in het reine moet zien te komen, zonder te kiezen voor de ene of voor de andere.

Ik logeer in Pera Palas, een antiek hotel dat in 1892 werd gebouwd als verlengstuk van de Oriënt-Express, een koele rustplaats na de uitputtende treinreis door de Balkan. Het gebouw ademt een nostalgische chic, dwars door het trappenhuis kraakt de hele dag een stokoude lift op en neer, in de immense zalen glanzen goud en marmer. In de grote, schilferige badkamers kun je op dezelfde wc zitten als Greta Carbo, je kunt uit hetzelfde raam staren als keizerin Sissi van Oostenrijk en in hetzelfde bed liggen als koning Zog van Albanië. Luid klinkt de tv uit de kamer waar Trotski sliep: 204.

 

 

 

 

 

 

 

 

De mooiste suite is voor eeuwig gereserveerd voor Mustafa Kemal Pasa-vanaf 1935 Kemal Atatürk, ofwel de’vader der Turken’. Een portier pakt me bij de hand, ik mag even om de hoek kijken. Het is een klein, verstildheiligdom: een bed, een badkamer, twee fauteuils, een bureau met een paar foto’s en wat notities. Hier bivakkeerde dus deze militaire dictator als hij in Istanbul was, deze oorlogsheld uit de Eerste Wereldoorlog diede chaos van het ineenstortende Osmaanse rijk beteugelde, de vreemde bezetters verdreef en het land krachtig en voortvarend de moderne tijd binnenleidde.

Atatürk dwong in de jaren twintig en dertig de secularisering gewoon per decreet af, een ongekende revolutie inde islamitische wereld: de vrouwen mochten geen sluiers meer dragen, de mannen geen fez, polygamie werd verboden, vrouwen kregen stem­ recht, de islamitische maankalender werd vervangen door de gregoriaanse tijdrekening, het Arabische schrift door het westerse, in plaats van de islamitische wet nam men vrijwel letterlijk het Zwitserse burgerlijk wetboek over, zondag werd de algemene rustdag in plaats van vrijdag, allekoranscholen werden gesloten, de islam diende voortaan alle wereldlijke wetgeving te respecteren.

De afgelopen decennia werd de vader des vaderlands meer vereerd dan ooit, ondanks – of misschien wel door – de nieuwe islamisering van het land. Het ene standbeeld na het andere verrees, in alle cafés en schoolklassen hing zijn portret. Hij gold als hét symbool van de grote sprong voorwaarts, het indammen van de macht van de gelovigen, de definitieve breuk met ‘de zieke man van Europa’, zoals het Osmaanse rijk ooit werd genoemd. Toch was Atatürk een product van datzelfde rijk, een imperium dat in werkelijkheid minder sleets was dan vaak wordt aangenomen. Net als, bijvoorbeeld, in Frankrijk was ook in Turkije al vanaf het midden van de negentiende eeuw een moderniseringsprogramma gestart.

Allerlei hervormingen die later zijn toegeschreven aan Atatürk waren al ingezet onder de Osmaanse sultan Abdül-Hamid II: de herziening van het onderwijs, de modernisering van het leger, de reorganisatie van de rechterlijke macht en de staatsfinanciën, het terugdringen van de invloed van de moslimelite, de verwestersing van kleding, de aanleg van wegen en spoorlijnen. Onder sultan Hamid kwam een directe landverbinding met West-Europa tot stand: op12 augustus 1888 stoomde de eerste Oriënt-Express de stad binnen. Pera Palas werd de voorpost voor westerse elite. In diezelfde jaren werden achttien nieuwe opleidingen opgezet, plus een universiteit en een medisch instituut. Atatürks eigen jeugd is één grootvoorbeeld van de mogelijkheden die het gemoderniseerde Osmaanse onderwijs rond1900 al bood. Ook Atatürks scheiding van staat en godsdienst – deislam mocht enkel nog beleefd worden als een particulier geloof, zonder juridische of politieke invloed – bouwdevoort op bestaande opvattingen. Met name in de negentiende eeuw raakten veel islamitische denkersgeïnspireerd door de modernisering van het Westen. Ze kwamen op grond van de koran tot opvattingen die inveel opzichten vergelijkbaar waren met het moderne westerse gedachtegoed. Ze hadden allerlei ideeën overintellectuele vrijheid, over de rol van het individu, over de scheiding van staat en godsdienst. Deze modernenegentiende-eeuwse moslims zagen, in de woorden van godsdiensthistoricus Karen Armstrong, ‘datEuropeanen en moslims gemeenschappelijke waarden hadden, maar dat de Europeanen een maatschappijhadden geschapen die veel efficiënter, dynamischer en creatiever was. Die wilden deze moslims nu ook in hun eigen land vestigen.’

Daarnaast bestond echter ook de despoot Atatürk, en die beheerst, meer dan zestig jaar na zijn dood, in minstens zo sterke mate de Turkse samenleving.

Het seculiere karakter van het land, gehaat door religieuzen en fundamentalisten, wordt nauwgezet bewaaktdoor het leger. In 1961hingen de militairen zonder blikken of blozen de democratische premier Adnan Menderes op wegens ‘corruptie’ en ‘samenzwering met de islamitische partijen’. Bij een militaire coup in 1980werden duizenden opposanten zonder vorm van proces opgepakt. Nog in 1998 schoven de generaals ‘in naam van Atatürk’ de eerste democratisch gekozen islamitische regering zonder pardon opzij. De Turken hebben erzelfs een eigen jargon voor: de ‘diepe staat’ tegenover de ‘officiële­ maar-oppervlakkige staat’, en ‘zachtecoups’, ‘pasja-coups’ of ‘media-coups’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is vrijdagavond zeven uur, spitsuur voor de veerboten. De mensen komen in drommen de loopplank over, met tassen, gereedschapskisten, manden met kippen, visgerei, fietsen, zelfs stoelen en tafels. Op de kadeverdringen zich de verkopers van geroosterde maïskolven, zonnebloempitten, geschilde komkommers en versevis. Er wordt gevent met dansende poppetjes, adembenemend roze kinderpetticoats, vogeltjes van paarse veren en lichtblauw plastic. Een blinde man speelt viool, zijn vriend zingt een droevig lied in een microfoon volakoestische effecten.

De speelgoedhandelaren hebben twee nieuwe poppen in de aanbieding: een elektrisch aangedreven blondepop die een kind­ je wiegt en een groene commando die met zijn geweer vooruit kruipt en regelmatig flitsen en dodelijke geluiden voortbrengt. Even verderop zit een man achter een oude weegschaal: voor een stuiver weet je wat je waard bent. Aan de kade slingeren kleine vissersschepen op de deining, midden op het dek staanvuurtafels waarop de bemanningsleden hun vissen roosteren, als acrobaten springen ze met iedere golf mee. Er wordt stevig gebedeld. Binnen een minuut word ik aangeklampt door een oude man, een vrouw met éénbeen en een zielig meisje met een baby. De vis­ verkopers roepen, de elektronische speelgoedpoppen kwaken en ratelen, de schepen toeteren, de blindeman zingt daar weer door­ heen: dat is de kade bij de brug over deGouden Hoorn op vrijdag­ avond om zeven uur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De veerpont naar Büyükada, een van de eilanden in de Zee van Marmara, is een roestig schip vol opgewektemensen die blij zijn dat ze even aan de stad kunnen ontsnappen. Ik raak in gesprek met een studente. Zevertelt dezelfde verhalen over nieuwkomers die ik vaak hoor in Amsterdam, alleen komen deze immigranten uithaar eigen land. Ze is bang voor het oprukkende platteland, ze ziet ieder jaar tienduizenden jongeren uit de dorpen vol illusies naar de stad trekken en in korte tijd vastlopen, zonder werk, zon­ der familie. Overal duiken fundamentalistische groepjes op. ‘Istanbul is bezig zichzelf kwijt te raken; zegt ze. ‘Alle beweging, alleverandering is weg. Alles is versteend door de polarisatie in deze stad tussen arm en rijk, en tussen het moderne en het fundamentalistische denken. De situatie wordt met de dag meer gespannen.’

Kort daarna zou de stad letterlijk beven en scheuren, er zouden duizenden doden vallen, maar dat moet allemaal nog gaan ge­ beuren, we genieten zorgeloos van de avond. Een vrolijke man probeert messen te verkopen, hij demonstreert de kwaliteit door een plastic fles kunstig te versnijden. Thee en vruchtensappen worden in grote hoeveelheden geserveerd. Op het achterdek heffen een paar jongens een lied aan. De lucht iszoel, de zee is oog­ verblindend. En ondertussen blijft Istanbul aan de Aziatische kant van het water maardoorgaan, de stad rolt maar door tussen de kust en de heuvels, als een brede, grijswitte band, tientallen kilometers, honderdduizenden flatblokken, tien, twaalf miljoen mensen die dromen en iets willen met hun leven, samengedromd aan de oevers van het Aziatische continent.Op een zondag loop ik wat doelloos door de steile straatjes van Fener, de oude Griekse wijk. Sommige huizen zijn nog van hout. Een scharensliep, een koopman met yoghurt, overal trekken mannen met karretjes van huis tot huis. Op een plein beweegt een minuscuul draaimolentje, rond geduwd door de eigenaar. Een groepje kinderen staat opgewonden te wachten, een paar centen in de hand geklemd. Volgens mijn gids hebben denamen van dit soort kleine straatjes een ongekende poëtische kracht: Straat van de Duizend Aardbevingen, deLaan van de Borstelige Baard, de Steeg van de Kip Die Niet Kan Vliegen, het Slop van Plato, de Straat van Nafiemet het Gouden Haar, de Straat van Ibrahim van de Zwarte Hel. Vanuit een antieke bakkerij komen de heerlijkste geuren. Als ik even blijf staan, komt de bakker naar buiten en stopt een krakeling in mijn handen. Hij wil geen geld: ‘Zo maken wij dat, vreemdeling. Proef!’

De Aya Sophia, ooit de grootste kerk van de christelijke wereld, is nog altijd een gebouw dat zelfs de meest verwende toerist tot zwijgen brengt. Het is een veroverde kerk, maar ondanks de grote Arabische schilden aande muur is het nooit een echte moskee geworden. Het is en blijft een laatste explosie van alle kracht eningenieurskunst van het Romeinse imperium. Het gebouw werd in 562 ingewijd en pas in de negentiende eeuw was Europa technisch weer in staat om dezelfde gigantische overspanningen te bouwen die de bouwmeestersvan keizer Justinianus hadden gerealiseerd. Maar nu ben ik op zoek naar de geestelijke opvolger van de AyaSophia, de kerk van Sint-Gregorius, de zetel van de patriarch van de Grieks-orthodoxe kerk.

Opvallend genoeg is Istanbul nog steeds het centrum van het orthodoxe christendom.  De Grieks-orthodoxe patriarch van Constantinopel bekleedt formeel dezelfde positie als de paus, maar pas na veel moeite vind ik ineen hoek van deze volksbuurt het orthodoxe Vaticaan. Het complex is zwaar ommuurd. In de kerk is een priesterwijding aan de gang, de banken zitten vol en op de binnenplaats staan overal families te praten. Er hangt een feestelijke sfeer. De priesters zijn oude mannen, het seminarium is al dertig jaar geleden door de Turken gesloten, maar het lijkt alsof er weer nieuw leven ontstaat. Het patriarchaat blijft eruitzien als een fort,op de muren is aan de buitenkant overal graffiti gekalkt: ‘Lang leve onze islamitische strijd!’

In dit intieme gezelschap is het bijna niet voorstelbaar dat driekwart eeuw geleden, bij de volkstelling van 1924, nog een kwart van de bevolking van Istanbul uit Grieks-orthodoxen bestond. In1955 vond een warepogrom plaats: duizenden moslims trokken de Griekse wijk in, gooiden de ruiten kapot, plunderden en vernielden. Tientallen orthodoxe kerken werden in brand ge­ stoken. De politie deed niets. In 1974, rond de Cypruskwestie, werden nog eens tienduizenden Grieken verdreven. Nu zijn er hooguit drieduizend over.

Het is een bizarre gedachte, maar toch is het zo: deze kleine groep keurige, zondagse Grieken, dit afgelegen kerkje, deze hoogbejaarde priesters, het zijn de allerlaatste resten van het enorme Grieks-orthodoxe machtscentrum dat Constantinopel ooit was, van die unieke vermenging van Europese en oosterse culturen die hier zeker duizend jaar aaneen doorbloeide.

Het Osmaanse imperium deed in sommige opzichten denken aan de Europese koloniale rijken, maar éénaspect miste het: het koloniale dedain waarmee op andere volkeren werd neergekeken. Het kon de Osmanen weinig schelen of iemand moslim of christen was. Joden en christenen werden over het algemeen met rustgelaten. Veelbelovende joodse en christelijke jongeren werden soms tot de islam bekeerd, waarna ze vaak op belangrijke posten in het leger en de bureaucratie terechtkwamen. Maar voor het overige deed de geestelijke vrijheid in het achttiende- en negentiende-eeuwse Istanbul denken aan die van Amsterdam. Ter­ wijl vrijweloveral in Europa andersdenkenden werden vervolgd, konden ze in het Osmaanse rijk in alle vrijheid hun godsdienst uitoefenen. Voor gevluchte joden werden de grenzen geopend, en ze leverden een welkome bijdrageaan de economie. Toen de Italiaanse reisschrijver Edmondo De Amicis in 1896 op de Galatabrug stond, zag hij een bonte menigte aan zich voorbijtrekken: Grieken, Turken, Armenen, ‘een mohammedaanse vrouw te voet,een gesluierde slavin, een Griekse met lang golvend haar, bekroond met een rood mutsje, een Maltese verscholen onder haar zwarte faletta, een jodin in het oude kostuum van haar natie, een negerin gehuld in eenveelkleurige Cairo-omslagdoek, een Armeense uit Trabzon, geheel in zwarte sluiers…’

Het Istanbul waarin de kleine Irfan Orga opgroeide, bestond zeker voor de helft uit niet-moslims. Volgens devolkstelling van 1893 leefden onder de zeventien miljoen Osmanen bijna vijf miljoen joden en christenen. Het was, net als het Habsburgse rijk, een multinationaal imperium. En het was, zeker toen het zich moderniseerde,in bepaalde opzichten wellicht Europeser dan het huidige Turkije.

Je kunt je dan ook afvragen waarin eigenlijk de grootste barrière ligt tussen Turkije en de rest van Europa. Is datwel het klassieke moslimkarakter van het land? Is het niet veel meer de fel nationalistische en dictatoriale modernisering door Atatürk die een blijvende toenadering met het huidige Europa in de weg zit? Andersgezegd: ligt het probleem wel bij Mohammed? Ligt het niet minstens zo sterk bij Atatürk?

Het was het negentiende-eeuwse nationalisme dat een einde zou maken aan de verdraagzaamheid van het Osmaanse rijk, en met name in Anatolië waren de spanningen in het begin van de twintigste eeuw al hoogopgelopen. Maar pas onder Atatürk werden etnische zuiveringen verheven tot officieel beleid. Zijn moderne Turkije moest een sterke nationale en etnische eenheid vormen, het multinationalisme van de Osmanen vond hijsentimenteel en verouderd, religieuze en etnische diversiteit ondermijnden de identiteit en de veiligheid van hetland. In de jaren twintig, nadat Griekenland tevergeefs geprobeerd had grote delen van het uiteenvallendeOsmaanse rijk onder controle te krijgen, dwong Atatürk een geforceerde uitwisseling af tussen Griekenland enTurkije, een etnische zuivering van ongekende omvang: meer dan een miljoen Grieks-orthodoxe inwoners van Anatolië werden naar Griekenland gestuurd, bijna vierhonderdduizend Griekse moslims werden uitgezet naar Turkije.

Hun lot was nog heilig vergeleken met dat van de Armeniërs. Bij conflicten en deportaties werden in 1915, nogvoordat Atatürk aan de macht kwam, naar schatting anderhalf miljoen Osmaanse Armeniërs omgebracht, eenvolkerenmoord die tot de dag van vandaag door de Turkse regering heftig wordt ontkend. Zelfs het melding maken van deze genocide, de eerste van de twintigste eeuw, leidt nog steeds tot aanklachten en processen. De afdekking van het verleden, het fatale vergeten waarover Primo Levi schreef, is hier een plicht voor iederevaderlandslievende burger.

Dit alles had – en heeft- zijn effect op Istanbul. Het is een stad die, ondanks de overweldigende schoonheid vande Bosporus, ondanks de vertienvoudiging van de bevolking in de jaren negentig, ondanks de toestroom van tienduizenden immigranten uit Rusland en Oost-Europa, ondanks de Aya Sophia en al die andere sporen vanvijftienhonderd jaar cultuur, zijn kosmopolitische karakter verliest en, in de geest, een provinciestad dreigt te worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Istanbul, dat ooit onderdak bood aan een inspirerende gisting van verschillende volken, (is) tegenwoordig eencultureel achter­ gebleven en financieel verarmde mono-etnische megapolis, voor 99 procent Turks,’ schrijft de Britse Byzantiumkenner William Dalrymple. ‘De joden zijn naar Israël vertrokken, de Grieken naar Athene, deArmeniërs naar Armenië en de Verenigde Staten. De grote Europese handelshuizen zijn naar huis teruggekeerd, de ambassades en de politici zijn verhuisd naar Ankara.’

Alle steden vertellen een verhaal, en het verhaal van Istanbul gaat bovenal over verschuivende zwaartepunten enover kwets­ baarheid, hoe internationaal een metropool ook oogt. Achthonderd jaar geleden, rond 1200, lag hier het absolute machtscentrum van Europa. Nu is het een uithoek, een arme, razendsnel groeiendederdewereldstad, een symbool van vergane glorie, vergeten banden, verloren verdraagzaamheid.

Deel dit bericht

Er valt meer te ontdekken

Architectuur

21338 studie informatiepunt ENTREE

Het schetsplan werd van binnenuit ontworpen. De ‘huiskamer’ kreeg daarin de plek met de hoogste verblijfswaarde.  Een centrale corridor  zou de voor- en de achterdeur

Lees verder »

Stuur me nieuwe berichten

Houd me op de hoogte